vrijdag, 13 februari 2015 12:16

Zo schreef je in 1799 een Valentijnsbrief

Het Gemeente Archief Schiedam schrijft: "Naar aanleiding van valentijnsdag, (en de verjaardag van een van onze collega's) hebben we een mooie liefdesbrief uit ons archief getranscribeerd."

Middelburg, 12 February 1799

Mejuffrouw,

UEd. Geëerde van den 8e deezer is mij op gisteren wel geworden; in antwoord op dezelve is dienende..... Ziet, dat is eerst de regte stijl van brieven schrijven, dit heb ik zedert ik tot den post van correspondentiehouder ben gepromoveerd, reeds geleerd, want alle de brieven die wij ontfangen of afzenden beginnen op deeze of dergelijke wijze. Alle gekheid op een stokje, beste kleine, moet ik u zeggen dat je allerliefst zijt geweest met Scip[ion] zo direct te beantwoorden, hij was ook zo verlangende naar tijdinge van zijn wijfje, o, dat hoef ik immers u niet te zeggen. Zelden, zelden zijt gij uit mijne gedagten en die gedagten zijn alleen in staat om mij zommige lastige en verveelende uuren zonder verdriet, zelfs met aangenaamheid te doen doorbrengen, 't geen ik doe voor Naatje [=Anna Gijsberti Hodenpijl] en dan is het mij wel, o zo wel. Nu en dan moogen er zig buyen en nevels zaamentrekken, in het verschiet zie ik de schoonste, de helderste dag voor oogen en mijn Naatje werpt ook een lagchende blik op het toekoomende. Ras moogen zij dan vervliegen, die uuren die ons de volbrenging onzer wenschen afscheiden. Dat ik eens uit uwen mond hoore: Scip, ik ben betaald voor de traanen die ik door u, om u heb gestort en grooter geluk wensch ik niet op deeze aarde.

Beknorren moet ik je tog ook, stoute meid, foey, gij maakt Scip ongerust en nieuwsgierig, en dat over iets dat hem zo naauw raakt over het welzijn van zijn wijfke, en je wilt of kunt niet schrijven wat haar eigentlijk manqueerd. Is Naatje beschroomd voor Scip, voor haar ventje? Dat zal ik wel niet hoopen, aan hem durft, ja moet zij immers alles zeggen. En wildet ge het niet in de brief schrijven, had ge het op het stukje papier kunnen zetten en na het gelezen te hebben, had ik het kunnen verbranden. Nu, als gij met de volgende brief niet maakt dat ik het weet, zal ik regt boos zijn en denken dat Naatje mij niet meer vertrouwd. Want als ik er op denk, lig ik te maalen als een gek.

Omdat Mouch zoveel geduld gehad heeft met u en u nu en dan nog eens opgebeurd heeft, wil ik de hoonende en laesive [kwetsende] uitdrukkingen welke zij omtrent mij gebeezigd heeft, niet reciproceeren, dit bespaar ik voor een andere tijd, als zij het met u zo wel niet gemaakt zal hebben en dan zal het mij aan geen stof ontbreeken. Egter verwondert het mij, dat zij nog eene zo gunstige uitlegging voor de invitatie heeft gevonden, had het niet kunnen weezen dat mijn voorkoomen den man zo teegengevallen is, dat hij bij zigzelven gedagt heeft: als het innerlijke van mijn commis niet beeter is als zijn uiterlijke, ben ik leelijk in de kleeren gestooken, laaten wij hem eens beproeven en doen praaten en heeft mij dus te eeten gevraagd, wijl hij geweeten zal hebben dat men veeltijds de menschen best leerd kennen aan tafel en onder een glaasje wijn. En hij schonk goed, best rood, Frontignac, portwijn, Engelsche poorter, het stond al op tafel, ik had maar te kiezen.

Tot huishoudelijke zaaken koomende, kan ik u zeggen, dat was mijne kamer wat vrolijker en geschikter, ik mij gelukkig zoude reekenen om bij mijn hospes te zijn, hij en zijne vrouw zijn allergeschikste en braafste menschen die er zig op toeleggen om mij plaisier te doen, en eeten en bediening zijn zo goed als het hoord. Wij leeven in een agterhuis, geheel afgescheiden van het voorhuis, dat geheel tot de sociëteit is geapproprieerd en hebben dus met dezelve niets te doen. De man is er ook nog niet lang kastelein in, hij heeft te vooren een post aan de O.I. Comp. gehad die hem ƒ 1200 opbragt, dog is daarvan gerenoveerd en is toen door voorspraak hier in dit huis gekoomen.

Op het woordje sociëteit heeft zeeker iemand kunnen goedvinden met grootere letters en onderschrapt te schrijven Societeit gaan, pijpjes rooken, speelen etc etc. Ja wel, prosit, de maaltijd voor eerst geen vreemdeling zijnde, is de entrée mij verbooden en dit is alles afdoende maar daarenbooven zal ik u een kleine schets van mijne beezigheeden geeven, zoals ik ze voorleden week heb gehad en zoals zij zeeker nog een geruimen tijd zullen zijn. Om 8 uuren sta ik op, met ontbijten en kleeden breng ik het tot half tien, dan naar het comptoir alwaar ik blijf tot half twee, koom naar huis, eet, en dan over drie weer naar het comptoir tot 's avonds neegen uuren. En op het comptoir zijnde, zit ik niet leeg, de pen is mij niet uit de handen, dus ik ben bijna tien uuren in het touw. Zaturdagsmiddag ben ik wel vrij, dog daarenteegen is het zondag postdag en moet dus dien middag er weezen. Brieven schrijven is niet alleen mijn werk, maar door sterfgevallen als anderzints zijn zommige boeken vrijwat veragterd, ik ben dus beezig om ze bij te schrijven, en ik kan reekenen dat er een halfjaar ruim zal verloopen eer ik slegts hetgeen de kooplieden het grootboek noemen, heb bijgebragt. Schoon het werk op een gemakkelijken voet is gebragt, maakt het het moeylijk voor mij dat de boeken in het Engelsch gehouden worden. Ik gaf een lief ding dat ik die taal meester was. Met er tijd moet ik tog zien dat ik hem leere. Voor het overige beste lieve, is den heer Ferrier mij niet teegengevallen, hij behandeld mij wel. Of hij met mij tevreede is, heeft hij mij niet gezegd, maar ik zoude het haast daaruit opmaaken dat hij mij gisteren zeide of ik geld nodig had, moest ik hem maar zeggen. Daar ik nog niet veel verdiend heb, schijnt hij mij ten eersten niet te willen laaten gaan. Iets dat Scip ook nog terdeeg leeren moet, is dat ik wel heel schielijk werk, dog niet heel netjes. En op het comptoir word alles met de uiterste netheid behandeld, alles wordt in de boeken op lijnen geschreeven, zelfs gaat er geene reekening af of hij moet gelinieerd zijn. Dit staat wel cierlijk, maar het houdt duvelsch lang op.

Menschen ken ik nog volstrekt geene, al wilde ik kennissen zoeken, ik zou geen tijd hebben om ze op te loopen, voor mij zegd het weinig, want als ik 's avonds thuiskoom, kan ik met plaisier een paar uurtjes in het vuur zitten kijken. Leezen kan ik niet, want ik heb geeneen boek, schrijven, als men neegen uuren de pen tusschen de vingers heeft gehad, zijn zij half lam en hebben wel wat rust nodig. Maar als mijn kleintje eens hier zal zijn en Scip den ganschen dag uit moet zijn, wat zal zij in een vreemd land zonder kennisse beginnen, maar zij weet zig beeter als Scip bemind te maaken. En ik heb in de kamer van de Hr. Ferrier een fortepiano gezien, dus hij of zijn vrouw liefhebbers van de muzicq moeten zijn. En dan zal mijn wijfke altijd welkoom zijn.

Naar eenig ander middel om een duitje te winnen, ziet ge, beste, dat vooralsnog mij de geleegenheid is benoomen. Het spijt mij ook dat de affaires van ons huis zig uitstrekken tot de tak van wijnen en sterke dranken. Indien ik al eens in 't vervolg geleegenheid kreeg door middel van Schiedamsche vrienden om op de eene of andere wijze met de genever iets te winnen, blijft het eene vraag of mijn patroon gaarne zoude zien dat ik dezelve affaires als hij entrepreneerde en dus natuurlijk hem afbreuk deed. Het is nog maar een begin, hoopen wij, dat alles zich zal schikken. Kwam er vreede, zouden de beezigheeden van ons comptoir zeekerlijk vermeenigvuldigen, maar alsdan ben ik overtuigd, dat mijn bestaan op hetzelve ook verbeeteren zoude.
Tot nu toe ben ik Goddank heel wel en is de Zeeuwse lugt mij niet ongunstig. Ik hoop maar dat het zo mag blijven. Naatje kan wel verzeekerd zijn dat Scip zig niet verwaarloosen zal en altijd op al hetgeen hem op aarde lief is, indagtig is. Dat alles is voor Naatje, Naatje die ook beloofd heeft voor Scip te leeven, zij weet hoe dierbaar zij hem moet zijn en hoe de geringste verwaarloozing de droevigste gevolgen zoude kunnen hebben. Vergeet dat niet lieve beste wijfke. Als de hemel ons gunstig is, o hoe gelukkig kan dan ons lot niet worden.

De brief heb ik bezorgd aan mej. Nijssen. Zoudt gij het inliggend briefje aan Pietermaat willen overhandigen? Om niet in herhaaling te vallen, heb ik hem omtrent het een en ander naar u geweezen. Vertel hem en alle goede vrienden uit deeze brief hetgeen gij denkt dat hem kan interesseeren.

Groet voor mij alle vrienden, inzonderheid uwe hospita welke ik bedank voor haare attentie in het schrijven naar Amsterdam. Ik heb ook geschreeven, maar tot nog toe geen antwoord bekoomen, ik wil egter hoopen dat alles wel is.
Vaarwel eenigste beste van Scip, nu, gij moet mij niet lang naar tijdingen van u laaten wagten, met dit ongunstig weer kunnen de posten zo lang onderweg blijven, dat het raadzaam is om niet lang met schrijven te wagten.
Het is twaalf uuren en ik moet naar bed. Ik zoude anders nog wel stof hebben om een bladzijde of twee te vullen. De brief van den ouden heer koomt mij zoals aan u heel vriendlijk voor en ben er ook wel meede tevreede. Goeden nagt , duyzend zoenen van uw altoos getrouwe Scipion

P.S. Nu, vergeet niet mij te melden hetgeen ik u in 't begin gevraagd heb, vooral niet, hoor je,

Scipion [Scip] Henri Vernède, geboren in 1768 te Amsterdam als zoon van een Waals predikant, studeerde rechten en was enige tijd advocaat te Utrecht. Hij was secretaris te Schiedam van 1789 tot 1795 en later van 1815 tot 1837. (Klik hier voor een korte biografie)
De brief heeft geholpen, Scip trouwt 28 april 1799 met zijn 'Naatje'; Anna Magdalena Gijsberti Hodenpijl, geboren in Batavia in 1776. Op 29 juli 1799 werd hun eerste kind geboren: Jean Scipion Vernède. (Dat is toch knap, na drie maanden...)

 

Advertentie